DE BOERDERIJ

door

Joanna van den Dam

 

Ik heb dit onderwerp gekozen omdat, het me wel een leuk onderwerp lijkt.

En ik wil graag later ook in een boerderij wonen.

 

Ik ga vertellen over:

 

1.  De boerderij vroeger.

2.  Dieren op de boerderij.

3.  Boerderijen tegenwoordig.

4.  Land- en tuinbouw.

5.  Bloembollenteelt

6.  Volle gronds groen te teelt.

7.  Vleesveehouderij

8.  Pluimveehouderij

9.  Melkveehouderij

10. Akkerbouw

 

1. De boerderij vroeger

Ieder deel van Nederland had vroeger zijn eigen type boerderij. Die verschillende typen zijn ontstaan door het bouwmateriaal dat in de omgeving beschikbaar was en door de eisen die het boerenwerk aan de gebouwen stelde. Dat in een klein land toch zoveel verschil in boerderijbouw ontstond, kwam doordat in vroeger tijden de meeste mensen niet verder van huis kwamen dan een afstand die in een paar uur te voet kon worden afgelegd. Er was nauwelijks contact met boeren in andere streken. In elk gebied zochten de boeren een eigen manier om stallen en een huis te bouwen. Voor hun dieren en hun gezin. Zo hier en daar zijn die oude boerderijtypes bewaard gebleven. Maar heel veel zijn er verdwenen of grondig verbouwd. Vaak zijn ze verkocht aan mensen uit de stad die een mooie woning op het platteland zochten.

 

2. Dieren op de boerderij.

 

Niet op elke boerderij zijn dezelfde dieren!

Maar deze dieren zie je het meest op een boerderij:

Paarden/pony, varken, koeien, ezels, kippen, ganzen, eenden, honden, katten, konijnen, cavia, geiten en schapen, hangbuikzwijn en een bok.

 

3. Boerderijen tegenwoordig

Je kunt aan een moderne boerderij niet meer zien in welke streek hij gebouwd is. Boerderijen kun je eigenlijk alleen nog maar in soorten verdelen. In melkveehouderijbedrijven (boerderijen waar ze koeien houden om te melken), pluimveebedrijven (boerderijen waar bijvoorbeeld vleeskalkoenen of legkippen gehouden worden), varkensbedrijven (boerderijen waar vleesvarkens gehouden worden of er worden varkens gehouden om mee te fokken), glastuinbouwbedrijven (boerderij met glazen kassen met daarin planten, groente of fruit) of akkerbouwbedrijven (boerderij met veel land, waarop gewassen zoals granen, aardappels en bieten verbouwd worden). Deze bedrijven komen het meeste voor in ons land. Naast deze soorten bedrijven bestaan er ook nog een paar andere specialiteiten (bijvoorbeeld boerderijen waar ze champignons telen of waar ze struisvogels fokken). 

4. Land- en tuinbouw

Tweederde van Nederland is in gebruik voor land- en tuinbouw. Er zijn boerderijen, akkers, weilanden, kassen, schuren en stallen. Daar worden planten geteeld en dieren gehouden. Door zijn werk beïnvloedt de boer ook het landschap. Het verandert telkens. Veel mensen trekken er graag op uit om van het boerenlandschap te genieten. Boerenland is ook natuurland. Akkers, weilanden, sloten en houtwallen zijn ook een thuis voor wilde planten, weidevogels en andere dieren. Boeren en tuinders hebben te maken met de grilligheid van de natuur. Dat maakt hun werk moeilijk, maar ook boeiend en spannend.

5. Bloembollenteelt

De bloembollenkweker maakt het landschap bloeiend en trekt zo talrijke toeristen naar Nederland. Het is geen toeval dat buitenlanders bij Nederland denken aan tulpen. Wij zijn beroemd om de tulpen. De bloembollenkweker laat de bloemen niet uitbloeien, maar haalt ze vroegtijdig weg. De plant heeft dan meer energie voor de nieuwe bollen. De bloembollen worden gerooid tussen juni en oktober. Na de oogst volgt het sorteerwerk in de schuur. Bloembollen- handelsbedrijven zorgen er vervolgens voor dat iedereen in het buitenland echte Nederlandse bloembollen in zijn tuin kan planten.

6. Volle gronds groente teelt.

De teler van volle gronds groenten is niet alleen afhankelijk van het weer, maar ook van het seizoen. Sommige soorten groenten kunnen alleen in het voorjaar buiten worden geoogst. Andere beter in het najaar (zoals winterpeen) of juist in de winterperiode (spruitjes bijvoorbeeld). Echte voorjaarsgroenten zijn onder andere andijvie en asperge. Een volle gronds groente teler zet in één seizoen vaak meerdere gewassen op zijn land. De oogst van volle gronds producten gebeurt veelal met de hand. Peen en spruitjes worden machinaal geoogst.

 

7. Vleesveehouderij

De vleesveehouder heeft dieren die van zichzelf heel vlezig zijn. Hij zorgt ervoor dat ze een uitgekiend menu voorgezet krijgen, zodat ze gezond zijn en goed groeien. Vleesveehouders die zelf niet genoeg land hebben om het voedsel voor hun dieren te telen, kopen dat bij een dier voeder fabriek. De veehouder verkoopt de mest van de dieren aan een boer die dit kan gebruiken voor de bemesting van zijn land. De vleesveehouder fokt zijn dieren zelf of hij koopt ze bij een gespecialiseerd bedrijf. Als het vleesvee zwaar genoeg is, wordt het verkocht aan een slachterij.

8. Pluimveehouderij

Bij de pluimveehouder is het meestal een gekakel van jewelste. Hij heeft in zijn stal vele duizenden kippen. Ze leven op de grond van de schuur, zitten in kooien of hebben een stal met een uitloop naar buiten. De legpluimveehouder heeft een sorteerruimte in zijn stal, waar hij de eieren kan sorteren. Die worden daarna verkocht aan een handelaar of ze worden in een fabriek verwerkt in bijvoorbeeld mayonaise, snoep of cake. De dieren van vleespluimveehouders gaan naar de slachterij. Bijna alle pluimveehouders kopen het voer voor hun dieren bij een dier voeder fabriek.

9. Melkveehouderij

De melkveehouder is de grootste graslandbezitter van Nederland. Hij gebruikt zijn weilanden om van voor- tot najaar zijn koeien op te laten grazen. Maar ook om voer voor de winter van te oogsten. Hoe beter het gras, hoe beter dat is voor de melkproductie. De koeien leveren met de melk de grondstof voor kaas en andere zuivelproducten. Op een melkveehouderijbedrijf draait het ook om geboorte. Een koe geeft namelijk alleen melk als er een kalf is geboren. Daarom zorgt de boer dat de koe elk jaar zwanger wordt.

10. Akkerbouw

De akkerbouwer is voor zijn opbrengst afhankelijk van het weer. Meestal oogst hij maar één keer per jaar van zijn akker. Sommige producten, zoals aardappelen en uien, bewaart hij na de oogst in zijn schuur. Suikerbieten gaan direct naar de fabriek. De akkerbouwer teelt achtereenvolgens steeds andere gewassen op zijn land. Ziektekiemen krijgen daardoor minder kans. Sommige akkerbouwers telen ook bloembollen of groenten voor de conservenindustrie. Een akkerbouwer heeft veel verschillende machines nodig om het land te bewerken en om te oogsten.

 

 

 

Terug naar spreekbeurten