HET GEBIT

door

Lisa van Rijn

                                      

Bij je geboorte

 

Bij je geboorte heb je nog  geen tandjes.

Dus je kan nog niet eten.

Omdat je nog niet kan eten geven je ouders jou de fles.

Je drinkt alleen maar.

 

 

 

 

                                        

Je duimt meestal erg veel.

Dat is wel slecht voor je tanden.

Het duwt namelijk je voortanden naar voren.

Je ouders zijn harstikken blij als je eindelijk je eerste tandje hebt.

Als je ongeveer 3 bent heb je al je melktandjes.

Nu kan je gewoon eten.

 

  

Hoe laat welke tanden 

6de – 10de maand

De twee onderste snijtanden

8ste – 12de maand 

De twee bovenste en onderste snijtanden

9de – 16de maand

De vier bovenste en onderste snijtanden

13de – 19de maand

De vier bovenste en onderste snijtanden + 2 kiezen boven en onder

16de – 23ste  maand

Bijna al je melktanden

22ste – 33ste maand

Je hele melkgebit

Wisselen

 

Als je ouder wordt groei je.

En je mond ook.

Dus ga je wisselen.

Want als je ouder wordt heb je sterkere tanden nodig.

Het begint als je 6 of soms 5 bent.

Dan gaan je voortanden eruit.

En daarna de rest.

 

 

 

Niet wisselen, toch tanden 

Als je ouder wordt en al een heel wat van je melktanden hebt gewisseld.

Dan krijg er nieuwe tanden bij. Je krijgt helemaal achter in je mond kiezen erbij.

 

Wanneer welke Tanden 

1 jaar

Je hebt al acht tanden!!!!!!!!

3 jaar

Je melkgebit is compleet !!!!!

6/7  jaar                                                                   

Je bent druk aan het wisselen

12 jaar

Je blijvend gebit is bijna compleet

18 jaar

Je krijgt verstandskiezen

 

Als je achttien bent krijg je verstandskiezen. Sommige mensen krijgen er 4 andere 2 en soms zelfs geen een.

Ze heten zo omdat : ze eigenlijk verstaanskiezen heten.

Dat betekent dat ze ver weg staan daarom ook de naam zo. De mensen hebben er van gemaakt verstandskiezen.  

Verschillende tanden

 

Je hebt verschillende soorten tanden

-    Je hebt snijtanden dat zijn vier tanden in het midden (boven en onder).

 ze zorgen ervoor dat je je eten goed af kan bijten omdat ze goed scherp zijn.

Alle roze zijn snijtanden op het plaatje. Je hoektanden zijn er om vlees makkelijk van het bot af te scheuren. De gele zijn hoektanden op het plaatje. Je kiezen zijn er om het eten te vermalen zodat je  het makkelijk door kan slikken de blauwe zijn melkkiezen.

De roze blijvende kiezen. 

De binnenkant van een tand

 

Je tand ziet er van binnen heel anders uit dan van buiten.

Je tand is opgebouwd uit 2 lagen. Een laag glazuur en een laag tandbeen. Daarbinnen zit de zenuwholte.

 

 

 

 

Verzorging 

Als je een mooi gebit wilt dan moet je je tanden goed verzorgen. 2 of 3 keer op een dag poetsen. En elk half jaar naar de tandarts. Als je je gebit extra wilt verzorgen kan je ook flossen (met draadjes tussen je tanden).

Je moet twee minuten poetsen. Eerst 30 seconden in de ene hoek en de andere 30 seconden in de andere hoek en de andere minuut in de andere 2 hoeken ook je voortanden moeten gepoetst woorden.  

 

Wat is er goed voor je tanden en wat niet

 

In frisdrank en snoep zit veel suiker erg lekker natuurlijk maar is dat wel goed voor je tanden?
snoepen doe je meestal tussendoor.

Maar als je dat snoep nou eens bewaart en het voor bepaalde momenten op een dag.

Is het beter voor je tanden en ook lekker.  

 

Naar de tandarts

 

Je moet twee keer in het jaar naar de tandarts.

Daar controleren ze of je geen gaatjes hebt.

Als je dat wel hebt wordt het behandeld.

De meeste kinderen vinden de tandarts eng maar.

Maar als je er niet heen gaat heb je later tanden met allemaal gaatjes.

De tandarts heeft veel gereedschap.

Deze zijn het:

-         De boor

-         Lucht en water spuit

-         Speeksel afzuiger

-         haakje daarmee kan de tandarts tandplak weghalen

-         spiegeltje daarmee kan de tandarts ook de achterkant van je tanden bekijken.

-         Flosdraad daarmee kan je tandplak tussen je tanden weghalen.

 

 

 

Hoe was het vroeger bij de tandarts 

Vroeger waren er nog geen echte tandartsen.

Het was de chirurgijn.

Hiervoor moest je een opleiding volgen van ongeveer 5 jaar.

En het was heel duur.

En de kans was heel klein dat je het zou redden.

Haalde je het dan kon je een winkel openen.

De mensen waren vroeger bang voor de tandarts.

Dat komt omdat de tandarts nooit verdoving gebruikte.

 

 

Bang voor de tandarts 

Veel mensen zijn bang voor de tandarts. Maar dat hoeft niet. De meeste tandartsen gebruiken altijd verdoving.

En de meeste tandartsen hebben een  plaat aan het plafond waar je je op kan concentreren.

En soms zelfs een tv.

Maar als je echt heel bang bent voor de tandarts is er een speciale angsttandarts.

Die tandarts bespreekt alles van tevoren.  

De mondhygiënist

 

Een mondhygiënist heeft meestal een kamertje naast de tandarts.

De mondhygiënist weet alles van gaatjes en ziektes van het tandvlees. De mondhygiënist geeft ook fluor behandelingen. Fluor is een stof dat je tanden sterk maakt.

Daardoor krijg je minder snel gaatjes.

In de groefjes en puntjes in je kiezen kunnen snel gaatjes ontstaan.

De mondhygiëniste stopt die groefjes en puntjes dicht.

Zodat er minder snel gaatjes in komen.

Dat heet sealen (zeg: sielen) met een soort lak

De mondhygiëniste leert je ook goed poetsen.

 

 

 

Beugels

 

Als je gebit schots en scheef staat moet je naar de tandarts.

Meestal moet je eerst uitgewisseld zijn.

Voor de beugel ga je naar de orthodontist.

Dat is een soort tandarts maar alleen voor beugels.

Als je een beugel hebt doet dat in het begin meestal best pijn.

Een beugel zorgt ervoor dat je gebit weer helemaal recht komt te staan.

Bijvoorbeeld als je een overbeet hebt.

Dat is dat als je je kiezen op elkaar zet dat je dan heel veel ruimte tussen je boven snijtanden en je onder snijtanden zit.

Een beugel zorgt er dan voor dat je boven snijtanden naar voren woorden gezet zodat je snijtanden op elkaar komen te staan.

Soms moet je meer ruimte krijgen tussen je tanden.

Dan trekken ze er een tand uit.

 

Verschillende soorten beugels. 

Je hebt verschillende soorten beugels.

Er zijn vijf soorten beugels je begint meestal met een buitenboordbeugel, een activator of een plaatbeugel.

Op het plaatje zie je een plaatbeugel:

Een buitenboordbeugel is met haakjes aan je kiezen vastgemaakt.

Meestal heb je een band om je hoofd.

Hij zorgt ervoor dat het groeien van je bovenkaak ophoud.

Maar je onderkaak groeit door.

Zo komen je tanden recht op elkaar te staan.

Je hoeft deze beugel meestal niet dag en nacht in te doen.

Een activator is een beugel voor in je mond.

Het zijn twee  stukken.

Hij kan de onderkaak een stukje naar voren zetten.

Een plaatbeugel zit tegen je gehemelte aan.

Hij zit met ijzerdraadjes aan je gebit vast.

Hij zorgt ervoor dat je tanden recht komen te staan. 

De orthodontist 

Als je een beugel moet vertelt de orthodontist je dat.

Hij zet je beugel er meestal ook in.

De orthodontist is een soort tandarts.

Maar hij weet veel meer van beugels.

Hij heeft ook een speciale  opleiding gedaan. 

Slotjes 

Als je een van de beugels van boven een tijdje hebt gedragen.

Dan krijg je meestal slotjes.

Op het plaatje zie je een slotjesbeugel.

Een slotjesbeugel is een vaste beugel dat betekent dat je je beugel niet uit kan doen.

Op elke tand wordt een stukje ijzer gelijmd.

Veel kinderen noemen die ijzertjes slotjes.

Slotjes zetten al je tanden recht.

En een slotjes beugel zorgt ervoor dat alles helemaal goed op zijn plaats komt te staan.  

Het gebit van dieren 

Dieren hebben hele andere tanden en kiezen als mensen.

Ten eerste zijn er drie groepen.

·        De planteneters

·        De vleeseters

·        En de alleseters

Planteneters de naam zegt het al eten alleen maar planten.

Dat zie je ook in het gebit. Planteneters hebben veel kiezen.

En hele kleine hoektanden. Zo kunnen ze het eten goed vermalen.

Vleeseters eten alleen maar vlees. Ze hebben hele grote hoektanden.

En veel minder kiezen als een planteneter.

Die lange hoektanden hebben ze nodig om het vlees makkelijk van het bot af te scheuren.

Net zoals bij de mens.

En de alleseters eten alles. Ze eten vlees en planten. Wij zijn ook alleseters.

We  hebben wel kiezen en ook hoektanden. En eigenlijk is er nog een groep die hoort bij planteneters. Het zijn de knaagdieren. Zij hebben hele langen voortanden.

Die gebruiken ze om iets af te hakken. 

Bronnen

 

·        Juniorinformatieboekje: Het gebit

·        Juniorinformatieboekje: De tandarts (2x)

·        Juniorinformatieboekje: Beugels

·        Internetsite: Google voor de plaatjes

 

Terug naar spreekbeurten