

Onze voorouders hadden geen
geld. Als ze iets nodig hadden, ruilden ze dat. Dit heet ruilhandel. De bakker
ruilde brood bij de slager voor vlees enz. Op een dag wilde iemand weten wat er
aan de andere kant van de berg, de oceaan of de horizon was. Daarna wilden
steeds meer mensen dat weten. De grootste
avonturiers trokken eropuit. Zij namen allerlei voorwerpen mee. Voorwerpen die
ze zelf hadden gemaakt of vruchten die te vinden waren op de plek waar ze
leefden. Ze ontdekten dat de wereld heel anders kon zijn dan op de plaats waar
ze leefden.
De mensen moesten zich goed
voorbereiden op deze verre reizen, want reizen was erg gevaarlijk omdat er op
het land veel roversbenden waren en op zee veel piratenboten. Als
ze op hun bestemming aankwamen ruilden ze de voorwerpen die ze van thuis hadden
meegenomen en ze namen de voorwerpen mee die ze thuis niet hadden.
Door al die nieuwe en onbekende
voorwerpen veranderden de mensen. Na een poosje wilden ze opnieuw de wijde
wereld in en zo werd er steeds meer geruild. De vroegste sporen van ruilhandel
zijn 4500 jaar oud. Die eerste ruilhandel
werd onder andere ook betaald met vee, rijst of gerst. Later gebruikte men
voorwerpen die gemakkelijk mee te nemen waren, armbanden, messen of mooie
schelpen.
Wanneer onze voorouders het met
elkaar eens waren over de waarde van de voorwerpen die zij wilden ruilen, was
iedereen tevreden. Als ze het niet eens waren, ontstonden er ruzies, soms zelfs
oorlogen.
Om het ruilen makkelijker te
maken en om minder gevaar te lopen op hun lange reizen, namen ze kleine stukjes
goud en zilver mee. Dat was handig. Goud en zilver waren er niet zoveel en een
klein beetje ervan heeft al een grote waarde. Je hoefde er dus weinig van mee te
nemen om toch veel te kunnen kopen. Het onhandige van die stukjes goud en zilver
was wel dat je ze steeds moest wegen, want een zak graan kostte bijvoorbeeld 10
gram goud. Daarom begonnen de mensen munten te maken. Ze maakten ze altijd
precies even zwaar. Zodat je er makkelijk mee kon rekenen.
Gouden en zilveren munten waren
precies hun gewicht in goud en zilver waard. Een gouden tientje was dus gemaakt
van 10 gulden aan goud. Zou je de munt omsmelten tot een klompje goud, dan nog
bleef hij 10 gulden waard.
Sommige slimmerds schaafden
rondom de munt een randje weg. Met het goud en zilver dat ze zo verzamelden,
konden ze nieuwe munten maken. De oude munten werden daardoor minder waard. Je
kon het niet meteen zien, maar als je ze woog kwam je daarachter. Om dat te
voorkomen kregen de randen van de munten ribbeltjes. Ook werd er wel een tekst
op gezet. Als de ribbeltjes of de tekst ontbrak, was er dus met de munt
geknoeid.
Op
Nederland guldens stond vroeger God zij met ons. Tegenwoordig zijn de munten van
nikkel, maar tot 1969 werden de oude guldens en rijksdaalders (2 gulden 50 cent)
nog van zilver gemaakt. Het God zij met ons was toen nog steeds bedoeld om
zilverschrapers tegen te houden.
Voor de euro kwam in Nederland,
werd er dus betaald met guldens. Het teken voor de gulden was fl. Dit stond voor
florijn. Het woord florijn komt van het Italiaanse florinus. Deze munt werd door
de stad Florence gemaakt en de gulden werd naar dit voorbeeld geslagen.
Het
ontstaan van het bankbiljet
Er werden eerst munten gemaakt van goud, zilver en van andere metalen. Later kwamen er ook papieren bankbiljetten bij. Dat ging zo. Lange tijd gingen de handelaren met grote zakken met munten op stap. Dat was nogal onhandig en ook gevaarlijk. In de Middeleeuwen (ca. 12e tot 15e eeuw) gingen handelsreizigers daarom anders betalen. De kooplieden gaven hun gouden en zilveren munten in bewaring bij de goudsmid. Als de koopman een verkoper moest betalen, gaf hij hem een brief waarin stond dat deze verkoper, die met zijn naam werd genoemd, zijn geld kon ophalen bij de goudsmid. Een dergelijk brief werd een geldwissel genoemd. Boeven hadden daar niets aan, want hun naam stond er niet op.
Het kon natuurlijk gebeuren dan
een koopman maar doorging met geldwissels uitschrijven zonder dat hij darvoor
genoeg munten had. Als de ontvangers dan naar de goudsmid gingen, bleek het geld
allang op te zijn. Daarom ging de smid zelf wissels uitschrijven. Aan iemand die
goud kwam brengen gaven ze briefjes mee die evenveel waard waren als het
ingeleverde goud. De koopman kon dan met de briefjes betalen en de verkoper kon
ze dan weer ruilen voor goud bij de smid.
Op de goudsmidbriefjes hoefde
geen naam ingevuld te worden. Iedereen die een dergelijk briefje inleverde bij
de smid kreeg in ruil goud. Op het briefje stond bijvoorbeeld: Goudsmid Jansen
betaalt ´aan toonder’(degene die het briefje liet zien) 10 goudstukken. Zulke
´brieven aan toonder’waren handiger dan de wissels. Iemand die zo’n briefje
kreeg hoefde daar niet altijd mee naar de smid. Hij kon met het briefje zelf ook
weer iemand betalen. Iedereen nam het briefje aan, omdat hij wist dat hij er,
als hij wilde, echt goud voor kon krijgen bij de smid.
De
goudsmid moest steeds meer goud bewaren en langzamerhand werd hij bankier. De
briefjes die hij uitgaf werden bankbiljetten. Zulke biljetten waren makkelijk na
te maken, want niet iedereen kende de smid/bank. Soms waren er zelfs briefjes
uit het buitenland. Daarom ging de regering zich ermee bemoeien. Er kwam een
wet, waarin stond dat er maar 1 bank mocht zijn die bankbiljetten kon uitgeven.
Die ene centrale bank kocht het goud van alle smeden, die in ruil daarvoor
bankbiljetten kregen. Zo waren alle bankbiljetten in het gehele land hetzelfde.
En iedereen wist dat hij, als hij wilde, bij de ene centrale bank een vaste
hoeveelheid goud voor een dergelijk biljet terug kon krijgen.
De eerste centrale bank ter
wereld was de Riksbank in Zweden. Die werd in 1668 opgericht. De
centrale bank van Nederland, De Nederlandsche Bank, werd in 1814 opgericht.
Nadat er met munten werd geknoeid, zijn er natuurlijk ook weer mensen die proberen valse bankbiljetten te maken. Hoe? Door te zorgen dat de nagemaakte bankbiljetten zo goed mogelijk lijken op de echte. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Door allerlei technische snufjes zijn bankbiljetten beveiligd tegen namaak.Het kost veel tijd en echt geld om die beveiligingen na te maken. Je zou het kunnen doen met een kleurenkopieermachine of een echte drukpers. Ook zou het gaan met een computer en een kleurenprinter.
Die valse biljetten worden
meestal snel ontdekt, want in de biljetten staan allerlei echtheidsdingetjes,
die bijvoorbeeld onder een blauwe lamp zichtbaar zijn. Daarom hebben kassa’s
soms zo’n blauwe lamp om te kijken of het geld echt is.
Het namaken van munten komt
weinig voor. Dat is veel duurder om te maken dan wat men er mee kan verdienen.
De
Euro
Na
alweer een vreselijke oorlog tussen een aantal landen van Europa vonden de
mensen dat dit nooit meer mocht gebeuren. Ze konden hun landen ervan overtuigen
zich te verenigen om elkaar zo beter te leren kennen. Zo ontstond de Europese
Unie. Binnen deze Europese Unie besloten meerdere landen (twaalf om te beginnen)
om hetzelfde geld te gaan gebruiken, want het was erg onhandig om telkens als je
grens over ging geld te moeten wisselen. Of als een bedrijf met meerdere landen
handel drijft, elke dag maar weer de wisselkoers in de gaten te houden. Per 1
januari 2002 betalen we dus met de euro. En als we op vakantie gaan, kunnen we
in de meeste Europese landen betalen met de euro. De euro is eigenlijk een
beetje de dollar van Europa.
De euro heeft 7 verschillende
biljetten waarover ik het nu niet wil hebben. De euro heeft ook 8 verschillende
muntstukken. Twee ervan hebben 2 kleuren, namelijk de muntstukken van 1 euro en
2 euro. Aan de voorkant zijn de munten in alle landen gelijk, alsof we samen 1
groot land zijn. Aan de achterkant zijn die munten in alle landen verschillend.
Om ons eraan te herinneren dat ieder land zijn eigen geschiedenis heeft. Op die
van ons staat het hoofd van koningin Beatrix.
De
3 rode muntstukken zijn de honderdsten van een euro. Dat zijn de eurocenten. Er
zijn munten van 1, 2 en 5 eurocent.
100 munten van 1 eurocent zijn evenveel waard als 1 euro.
1 euro is evenveel waard als 100
munten van 1 eurocent.
De 3 gele muntstukken zijn de tienden van een euro. Er zijn munten van 10, 20 en van 50 eurocent.
10 munten van 1 eurocent zijn evenveel waard als 1 munt van 10 eurocent.
10 munten van 10 eurocent zijn
evenveel waard als 1 munt van 1 euro.
Tenslotte: Zijn er mensen die
geen geld hebben omdat zij willen ruilen zoals vroeger?
Enkele jaren geleden was er een
Britse televisieserie. Die ging over een man
die zijn werk opgaf. Voortaan wilde hij zonder geld leven. Het
voedsel dat hij zelf kweekte zou hij voor anderen dingen ruilen. Het
was een programma om te lachen, een komische serie. Dit
laat al een beetje zien hoe men denkt over mensen die nog willen ruilen zoals
vroeger. Men neemt het niet ernstig en
eigenlijk is het in deze moderne tijd ook niet meer mogelijk.
De plaatjes en de spreekbeurt zijn van www.geldmuseum.nl . Ook voor overige informatie kun je daar terecht!!
Wil je meer nog informatie over GELD?? Kijk dan bij GOOGLE.